Over Paul J. van Leeuwen

En hoe mijn boek ontstond

“Voor het kennen van de Weg moeten we gewoon op Weg. Je dingen doen, Liefst met plezier, (dat hoeft niet dáar, je kan ’t ook Hier). Heel simpel op de Poeh-manier. Maar ga niet Zoeken naar de Weg, Want je zal zien, dan is hij weg!”

The TAO of Pooh – 1982: Benjamin Hoff

Om te beginnen wil ik u eerst iets vertellen over mijzelf, waarom ik mijn boek schreef en waarom ik het belangrijk vind dat het gelezen wordt.

De hel en de demon van Laplace

Ik ben opgevoed in het katholieke geloof in het begin van de tweede helft van de twintigste eeuw. Je ziel was het belangrijkste onderdeel van je wezen. Die moest je schoon zien te houden. Dat viel niet mee. Vrij­wel onbegonnen werk. Maar op de middelbare school – een ka­tholieke notabene – verloor ik mijn geloof in de ziel. En gelukkig consequent ook het geloof in de dui­vel en dat mijn zonden mij in het eeuwige vuur van de hel konden laten belanden. Dat was toen de de­mon van Laplace ten tonele werd gevoerd. Ik zou niet meer weten in welke les maar we hadden al ge­noeg natuurkunde met Newtoni­aan­se mechanica gehad om de bete­kenis van die demon te vatten. New­toniaanse mechanica vertelde ons dat als je de beginvoorwaarden van een gesloten systeem maar exact kende dat dan het gedrag ervan in de toekomst en in het verle­den helemaal vastlag. Energie, massa en informatie werden in de me­chanica van die tijd nog als verschil­lend van aard gezien.

Laplace is bekend om zijn hypothetische intelligentie – later demon genoemd – die van alle objecten in het hele universum exact de be­ginposities, massa’s en snelheden kent en op grond daarvan de loop van de gebeurtenissen in het universum kan berekenen alsmede zijn volledige historie. Daarmee ligt dus alles – ook het verleden – vast en wordt het universum een gigantisch uurwerk waaruit het echte toe­val is verdwenen. Toeval bestaat er alleen nog voor de onvolmaakte mens die niet over voldoende informatie en reken­kracht beschikt om alles exact uit te rekenen. Overigens rijst bij mij natuurlijk de vraag of de demon dan ook zichzelf absoluut kan kennen, al is hij is dan slechts een hypothetisch wezen.

Daarmee werd ook de vrije wil een illusie. Mensen, dieren en plan­ten werden niets meer dan zeer complexe automaten. Een opvatting die heden ten dage nog steeds wordt verkondigd door overigens ver­der prima functionerende mensen die er geen moeite mee hebben om goed gedrag te belonen en criminelen te straffen, bij voorkeur door die laatste categorie op te sluiten in de hoop dat ze daardoor toch zullen veranderen van levenswijze en ideeën. Toch zullen ze er niet aan denken om hun auto, hun fiets of hun computer te belonen voor zijn goede functioneren of te straffen voor zijn falen.

Ik vond de conclusie van Laplace dat ik, mijn medemensen en niet te vergeten de dieren allemaal slechts automaten zouden zijn onver­teerbaar. Op dat moment veranderden de mensen om me heen, mijn medescholieren, mijn leraren, iedereen, in zombies en leek de we­reld er een te worden van kartonnen poppen. Gelukkig ging dat de­pressieve visioen dezelfde dag weer over maar die ervaring staat in mijn geheugen gegrift.

TU Delft – Technische natuurkunde

Na de middelbare school ging ik in 1967 naar de TU Delft (toen­tertijd TH Delft) om technische natuurkunde te gaan studeren want ik vond het een boeiend vak en daarbij had ik uitstekende cijfers voor de exacte vakken. Verder dacht ik nog niet na over een car­rière. Werken, mijn eigen brood verdienen, trouwen en misschien zelfs wel kinderen dat was nog lang niet aan de orde want de studie zou toch nominaal vijf jaar en in de praktijk zelfs zeven jaar in be­slag nemen. Ik vermoed eigenlijk dat een voortgezette studie voor veel studenten ook dat min of meer verborgen motief heeft van uit­stel van intrede in de ‘echte’ maatschappij.

De studie ging aanvankelijk uiterst vlot maar uiteindelijk deed ik er toch ook zeven jaar over om mijn ingenieursdiploma te krijgen. Technische fysica verloor helaas enigszins zijn glans in de loop van de studie en ik moet ook toegeven dat ik gewoon een paar jaar ver­lummelde. In het curriculum zat als ik het mij goed herinner toen nog geen relativiteitstheorie of kwantumfysica. Wellicht omdat dat in die tijd toch nog steeds als exotische takken van de fysica werden be­schouwd waarvan de praktische technische toepassing toen nog on­duidelijk was. Dan had ik beter naar Leiden kunnen gaan, achteraf gezien.

Docent wordt ICT-specialist

Na het behalen van het diploma merkte ik dat een carrière in de technische natuurkunde mij niet bijzonder aantrok. Natuurlijk had ik eigenlijk geen beeld van hoe dat eruit zou moeten zien maar ik vroeg me werkelijk af wat ik nu met dat diploma ging doen. Op een of andere manier leek het onderwijs me geen slecht idee. In plaats van achter een bureau of in een laboratorium wilde ik liever werken met mensen in een directe relatie. Ze iets meegeven. Een aardige uitdaging. Aldus geschiedde, ik solliciteerde en kreeg een aanstel­ling aan een nog in de opstartfase verkerende school in de buurt van Arnhem. Daar gaf ik les in wiskunde en natuurkunde. Met veel ple­zier, aanvankelijk wel tenminste. Na elf jaar had ik het wel gezien en stapte ik over naar de automatisering die toen net uit de kinder­schoenen aan het groeien was en dringend behoefte had aan pro­grammeurs en ICT-analisten. In die fascinerende wereld van bestu­ringssystemen, computertalen en kennissystemen ben ik met veel plezier blijven werken tot aan mijn pensioen, en zelfs nog even erna. Ook vond ik de tijd om nog een masters kennistechnologie te doen.

Het zwarte gat van Veronica

Intussen merkte ik dat mijn interesse, naast computers, vaak uitging naar het metafysische. Ik zocht nog steeds naar de zin van het be­staan, mijn bestaan dus, maar vond die niet in het alledaagse bezig zijn. Het alledaagse bevredigde iets niet bij mij. Soms zag ik zelfs al stiekem uit naar het fata morgana van mijn pensioen, het vooruit­zicht van grote hoeveelheden vrije tijd die ruimte zouden bieden voor persoonlijke ontwikkelingen. Maar dat gevoel van iets missen en het verlangen naar de vrijheid was niet uniek, ik merkte het ook wel bij mijn collega’s. Wellicht vanwege dat gevoel luisterde ik ge­boeid naar de uitzendingen van ‘Het Zwarte Gat’ van Veronica. Vrijdagsavonds laat tegen middernacht en enthousiast gepresenteerd door de paragnost André Groote. Ik hoor nog die geheimzinnige donkere stem in de aankondiging:

Een programma over het onzichtbare, het ongrijpbare en het onpeilbare, dat ons in het dagelijks leven met een geheimzinnig waas omhuld, want er is meer dan ons verstand kan bevatten, oneindig veel meer dan in een enkel mensenleven begrepen kan worden, Het zwarte gat neemt u mee op zoek naar het paranormale’

Later verplaatste het programma zich naar de zondagochtend, waar nu al weer sinds jaren een programma over de natuur en milieu zit, Vroege Vogels, ook leuk en nuttig maar wat mij betreft toch minder boeiend. Ik nam het uitgezondene beslist niet allemaal serieus maar boeiend was het zeker. Geestverschijningen, uittredingen, parag­nos­ten, mediums, klopgeesten, reïncarnatie, regressie onder hypnose naar vorige levens, het kwam allemaal langs.

In die tijd begon ik er ook boeken over te lezen. Boeken van Hans ten Dam, ‘Een ring van licht’. Ik heb ze nog steeds. Ik las over het Mars-effect van het echtpaar Gauquelin en de rel die dat veroor­zaakte. Zij toonden aan op statistische gronden dat er een correlatie bestond tussen Mars in de Ascendant bij de geboorte en een sport­car­rière. Zij gebruikten daarvoor de geboortegegevens van een grote groep Franse burgers waarvan het geboortetijdstip bekend was. Dit werd natuurlijk fanatiek aangevallen door een Amerikaanse groep sceptici – CSICOP: Committee for the Scientific Investigation of Claims of the Paranormal – die alle middelen uit de kast trok om te bewijzen dat de Gauqelins een fout hadden gemaakt. Het CSICOP-rapport liet twee jaar op zich wachten, zat uiteindelijk vol fouten, was vooringenomen en frauduleus gemanipuleerd. Het is zelfs de aanleiding geweest dat leden van het bestuur van CSICOP opstapten vanwege deze frauduleuze manipulatie van hun eigen meetgege­vens. Een klein schandaal. CSICOP werd daarna CSI – Committee for Skeptical Inquiry – want onderzoek lieten ze na deze blamage liever aan anderen over. Dat was mijn eerste kennismaking met de wijze waarop een club pseudo-skeptici met wetenschappe­lijke titels alles wat maar te maken had met het paranormale als onzin en volks­verlakkerij probeerden neer te zetten. Wat mij betreft lukte ze dat niet, maar mijn twijfels had ik wel.  Overigens heb ik zelf nooit ervaringen gehad die je als paranormaal zou kunnen bestempelen op één uitzondering na met – notabene – een kat.

Het bewuste universum

In 1993 – snuffelend in een Leidense boekhandel – stuitte ik op het boek ‘The Self-Aware Universe’ van Amit Goswami, ook een fysi­cus als ik zelf, dus dat maakte het voor mij op slag aanzienlijk ver­trouw­wekkender en daarmee ook interessanter. En daar werd mij voor het eerst uitgelegd wat de uiterst merkwaardige implicaties wa­ren van de kwantumfysica aan de hand van het zogenaamde twee-spleten experiment met afzonderlijk afgeschoten atomaire deeltjes of fotonen. Allemaal door Dr. Goswami goed leesbaar, logisch, con­sequent en helder uiteengezet. Ondanks dat kostte het mij toch enige moeite om te begrijpen dat er een zogenaamd meetprobleem bestaat want de crux daarvan ontweek me aanvankelijk. Het ligt namelijk zo ontzettend voor de hand dat wanneer je iets meet dat je het dan ook waarneemt, dat je dat als volkomen vanzelfsprekend ervaart. Het meetprobleem in de kwantumfysica is het vreemde feit dat de waar­neming de manifestatie van het gemeten object lijkt te veroorzaken. Dat is zo vreemd dat je hersens dat aanvankelijk gewoonweg wei­geren. Het kwantumobject dat gemeten gaat worden blijkt vooraf­gaand aan de meting een ongrijpbare kwantumgolf die alle moge­lijkheden nog in zich heeft totdat de meting plaatsvindt. Pas op dat moment manifesteert het kwantumobject zich als fysiek deeltje. Dat was een objectief vastgesteld fysisch verschijnsel waarvan het schijnbare absurde het begrijpen mij eerst hopeloos in de weg zat. Mijn reactie na het eerste echte begrijpen was er dan ook een van ongeloof. Het was ook iets dat ik af en toe weer moest herlezen en ‘herdenken’ om mij de onweerlegbare logica ervan echt eigen te ma­ken.

Overigens was dit ook de grote vraag die aanleiding gaf tot heftige discussies in de begindagen van de kwantumfysica. Het leek erop dat het bewustzijn van de waarnemer een – magische – invloed had op het gemeten deeltje en het daarmee ‘dwong’ om zich te laten zien. Goswami betoogde dat dat betekende dat het bewustzijn pri­mair was en dat de materiële werkelijkheid dus door het bewust­zijn gecreëerd werd. Voor mij was dat een eerste bevestiging van de on­mogelijkheid dat mijn bewustzijn louter een product zou zijn van mijn materiële hersenen en van het prettige vooruitzicht van het voortbestaan van mijn bewustzijn na de dood. En aangezien ik een natuurkundige opleiding had gehad was ik uitstekend in staat om zijn betoog te volgen. Geen echte fout in te ontdekken. Maar de vraag bleef wel knagen hoe het mogelijk was voor mijn immateriële bewustzijn om als het ware naar buiten te reiken en daar een mate­rieel effect tot stand te brengen. Iets wat ik een Harry Potter effect noem. Hetzelfde probleem als bij de immateriële geest van Descar­tes die via de materiële pijnappelklier op het lichaam aangesloten zou zijn. Geheimzinnige werking op afstand dus. Maar eigenlijk geldt dat bezwaar ook voor de zwaartekracht, de elektri­sche en de magnetische kracht. Als klein jongetje was ik trouwens al gefasci­neerd door magneten. Een vaag idee dat daar een verband moest zijn deed me verder zoeken naar een voor mij in zijn geheel begrijpelijke en aanvaardbare verklaring.

Een uitdaging

Heel veel boeken verder – over de meer gangbare wetenschappelijke on­der­werpen maar ook over reïncarnatie en bijna-dood ervaringen – volgde ik een college over buitengewone ervaringen. De docent – professor Koo van der Wal – tipte op een zeker moment even de kwantumfysica aan die ook misschien een rol zou kunnen spelen, iets dat vaker wordt aangehaald in spiritueel georiënteerde kringen, maar meteen aangevuld met de opmerking van Richard Feynman dat iedereen die dacht dat hij kwantumfysica begreep er niets van snapte. Het onderwerp was daarmee meteen weer afgesloten. Daar was ik het zeer beslist niet mee eens aangezien ik vond dat ik de kwantumfysica a la Goswami intussen best wel aardig begreep. Ik maakte de opmerking tegen een medecursiste dat kwantumfysica best begrepen zou kunnen worden, dat daar echt geen geniën voor nodig waren en dat ik daar best voor een uitgelezen groepje wel wat over zou kunnen vertellen. Daar kwam spontaan een cursus kwan­tumfysica voor niet-fysici uit voort die ik nu al een paar keer met veel plezier heb gegeven. Uit de positieve reacties van de cursisten werd me duidelijk dat ik iets had aangeboord waar blijkbaar behoef­te aan was. Tijdens het maken van de cursus en zelfs nog tijdens het schrijven van dit boek vielen er nog meer stukjes van de kwantum­puzzel op hun plaats aangezien bij het uitleggen ervan het vaak pas duidelijk wordt dat er nog puzzelstukjes ontbreken of nog niet goed passen. En uit die cursus is uiteindelijk het boek ontstaan.

De betekenis van de kwantumfysica

Dus voor de mensen die denken dat de fysica – de wetenschap van het materiële – niets kan zeggen over de aard van het bewustzijn laat staan daar herhaalbare laboratoriumexperimenten mee en over kan doen heb ik een verrassing. Voor diegenen die hiervoor open staan: de kwantumfysica heeft ons overduidelijk iets te vertellen over ons bewustzijn, over de aard van de werkelijkheid en onze ervaring daarvan.